L’Abbaye de Quincy a été fondée en 1133. Douze moines venant de Pontigny*, dont elle est la 6ème fille, se sont installés sur des terres que leur avaient données des chevaliers du Comté de Tonnerre. Des dons très importants des rois de France Louis VI et Louis VII, ainsi que du duc de Bourgogne Eudes II, permirent la construction rapide du monastère qui connut un essor et une puissance qui firent de lui, une centaine d’années après sa fondation, une des plus importantes de France pouvant accueillir environ 150 moines et 300 convers*. L’église abbatiale fut consacrée en 1139. Elle servit de nécropole à la famille de Courtenay, qui, après la quatrième croisade fournit trois empereurs latins de Constantinople. (Guillaume de Courtenay, petit-fils du roi Louis VI était propriétaire de la forteresse de Tanlay).
L’abbaye a possédé quatorze granges*, six à sept moulins*, des maisons urbaines* à Troyes, Dijon et Auxerre et des celliers à vin à Auxerre, Chablis et Epineuil. Le cellier du "Petit Quincy" à Epineuil fut donné par les Courtenay à l’Abbaye de Quincy en 1240 et a conservé son usage.
La guerre de Cent Ans, les guerres de Religions, le régime de la Commende* ont fini par avoir raison de la prospérité de l’abbaye. Le premier abbé commendataire (1560) fut Odet de Coligny, frère de l’amiral Gaspard de Coligny, chef des protestants, et de François d’Andelot, propriétaire du Château voisin de Tanlay, centre de ralliement de l’aristocratie huguenote. En 1568, d’Andelot commandita la mise à feu et à sang de l’Abbaye de Quincy. Presque tous les moines périrent assassinés* et l’incendie ravagea une partie du bâtiment des moines et la nef de l’église.
Dès ce moment, l’Abbaye eut beaucoup de mal à se redresser et ne survécut que modestement. Pendant la Révolution Française, le monastère fut vendu comme bien national et transformé en carrière de pierres*. L’abbaye a été achetée en 1822 par le marquis de Tanlay . Elle est restée dans la même famille depuis. A cette date, les bâtiments épargnés et les terres ont été mis en fermage.
De abdij van Quincy werd in 1133 gesticht. Twaalf monniken uit Pontigny*, waarvan zij de 6de dochterabdij is, vestigden zich op een stuk grond dat hen geschonken was door ridders van het graafschap Tonnerre. Dankzij omvangrijke giften van de Franse koningen Lodewijk VI en Lodewijk VII, alsook van de hertog van Bourgondië Odo II, kon het klooster binnen korte tijd opgetrokken worden en zich ontwikkelen tot een bloeiende en machtige gemeenschap. Honderd jaar na haar stichting was Quincy een van de belangrijkste abdijen van Frankrijk, die ruimte bood aan wel 150 monniken en 300 lekenbroeders*. De abdijkerk werd in 1139 ingewijd en diende als begraafplaats voor de familie de Courtenay, die na de vierde kruistocht drie keizers van het Latijnse keizerrijk van Constantinopel zou voortbrengen (Guillaume de Courtenay, kleinzoon van koning Lodewijk VI, was eigenaar van de vesting van Tanlay).
De abdij had veertien buitenhoven*, zes of zeven molens*, stadshoven* in Troyes, Dijon en Auxerre, en wijnkelders in Auxerre, Chablis en Épineuil. De wijnkelder van ‘Petit Quincy’ in Épineuil, in 1240 door de familie de Courtenay aan de abdij van Quincy geschonken, wordt nog steeds als zodanig gebruikt.
De Honderdjarige Oorlog, de godsdienstoorlogen en het commendesysteem* hebben uiteindelijk de welvaart van de abdij doen afbrokkelen. De eerste commendataire abt van Quincy (1560) was Odet de Coligny, broer van admiraal Gaspard de Coligny, leider van de protestanten, en van François d’Andelot, eigenaar van het naburige kasteel van Tanlay dat een belangrijke ontmoetingsplaats was voor de adellijke hugenoten. In 1568 werd in opdracht van d’Andelot de abdij te vuur en te zwaard verwoest. Bijna alle monniken werden vermoord* terwijl een deel van de kloostergebouwen en het schip van de kerk door de brand werden vernietigd.
De abdij kwam deze ramp slechts met moeite te boven en ging op bescheiden voet verder. Tijdens de Franse Revolutie werd het klooster als staatsbezit verkocht en als steengroeve* gebruikt. In 1822 werd de abdij door de markies van Tanlay opgekocht en is tot op heden in handen van zijn familie. De gespaard gebleven gebouwen en het terrein werden als landbouwbedrijf verpacht.